Werkbezoek van Marcel Lootens, geograaf

Vorige pagina

Verslag van het werkbezoek van Marcel Lootens, geograaf,  aan het Bassegembos in Anzegem-Kaster op 23.08.97.

Doelstelling: Via het nemen van bodemstalen de gegrondheid nagaan van hypothesen omtrent de verhevenheid, gesitueerd op het hoogste punt van het bos

Achtergrond: De hypothesen betreffen speculaties als zou het gaan om een:

  • molendam
  • prehistorische grafheuvel
  • konijnenheuvel (konijnenaarde).

Korte beschrijving van de resultaten van de proefboringen:

Vooraf: In totaal werden op en rond het heuveltje 8 boringen verricht. Telkens werden de diverse lagen geanalyseerd. Bij wijze van vergelijking werd ook 1 boring verricht in het laagst gelegen deel van het bos (zuidwest), alsook 1 boring op de belendende akker (op zowat 10 m buiten het bos) die met de zuidelijke bosrand een ondiepe vallei vormt.

Boring 1 (ten zuiden, op het pad net vóór de verhevenheid):

  1. Strooisellaag (vergane en niet vergane plantenresten): abnormaal dun: zowat 10 cm
  2. Leem aangerijkt met humus
  3. Leem/löss (1) tot op 60 cm diepte
  4. Brede overgangszone naar tertiaire paniseliaanse afzettingen, met ijzeraanrijking (2) en brokjes silex (3)
  5. Tertiaire afzettingen: klei wordt steeds groener, ingevolge het glauconiet (4).

Boring 2 (op het heuveltje):

  1. Strooisellaag (tot 15 cm)
  2. Tertiaire afzetting met veldstenen, zand en klei op 20 cm diepte !

Boring 3:

  1. Strooisellaag
  2. Leem
  3. Tertiair op 50 cm diepte (roestdeeltjes wijzen op ijzeraanrijking)

Boring 4:

  1. Strooisellaag
  2. Op 40 à 50 cm een mix van veldstenen en ijzer, en andere tertiaire afzettingen

Boring 5 (net buiten de eigenlijke knik, aan de noordwestzijde):

  1. Strooisellaag
  2. Zandige leem tot minimum 1 m diepte (“plakte” veel minder)

Boring 6:

Tertiair op 25 cm diepte

Boring 7:

Vooral zand en leem, wat ijzer

Boring 8:

zie boring 7

Boring 9 (aan de zuidwestkant -laagstgelegen kant van het bos):

  1. Strooisellaag
  2. Dikke lemige laag (meer dan 1 m)

Boring 10 (10 m buiten de bosrand, in aanpalende akker):

Dikke leemlaag (meer dan 1 m)

Appreciatie: excellente landbouwgrond, hier zit het tertiair veel dieper

Conclusies:

Bij geen enkele boring konden “bedolven” profielen worden teruggevonden; nergens ook waren er verstoorde profielen.

Op basis hiervan lijkt de meest plausibele uitleg voor de verhevenheid dat we te doen hebben met een EROSIEF RELIEF. Dit reliëf is hoger blijven liggen na erosie, is minder afgevlakt dan de omgeving. Ditzelfde fenomeen deed zich ook voor op veel grotere schaal in onze streek, met name de heuvelruggen (“getuigeheuvels”) van de Vlaamse Ardennen. Door de aanwezigheid van veldstenen zijn de bovenlagen minder vatbaar voor erosie en spoelen aldus minder of nauwelijks weg in vergelijking met omliggende lagen die minder worden vastgehouden. Zo ontstaat een reliëflandschap.

De knik in de helling zou kunnen te maken hebben met (vroeg)menselijke ingrepen. De hypothese is dan dat veldstenen aan de oppervlakte werden opgemerkt en dat hier werd gegraven met de bedoeling eventueel stenen te kunnen opdelven als natuurlijke bouwgrondstof.

In een groot deel van het bos bevindt zich onder de strooisellaag (die vrij dun is – tot 15 cm) een leemlaag die naarmate men lager boort, dikker is. Op een aantal plaatsen (vooral aan de hogere, noordwestelijke zijde van het bos) is die leem vermengd met zand. Op de onderzochte verhevenheid, de hoogste kop in het bos, bevindt het tertiair zich zeer ondiep onder de oppervlakte.

Verslag: Erik Cooman

Enkele verklaringen:

(1) löss: door de wind aangevoerde leem

(2) ijzer: werd uitgespoeld gedurende miljoenen jaren. Twee mogelijkheden: rode kleur = geoxydeerde toestand. Groene kleur: als het zich permanent onder de grondwatertafel bevindt (= gereduceerd).

(3) silex: aanwezigheid van silexstenen is alleen te verklaren door het feit dat ze werden aangevoerd als materiaal ten tijde van de laatste fase van het tertiair tijdperk. Langs de huidige toppen van de getuigeheuvels (Kluisberg, Muziekberg, etc.) situeerde zich de kustlijn. Vanuit de hoger gelegen Franse gebieden (Picardië) werden via de rivieren silexstenen aangevoerd naar de zee. Die silexstenen bevinden zich in de krijtlagen die daar voorhanden zijn.

(4) glauconiet: ijzerhoudend aluminiumsilicaat = mineraal typisch voor mariene (zee)afzettingen

Losse opmerkingen:

Leem “blinkt” als het van de boor komt !

Zavel = zandleem, maar voldoende leem opdat het zou plakken.

Hoe ouder hoe harder: vb. het secundair (krijt) en zeker het primair (Ardennen)

Veldstenen kunnen veldbanken vormen

Volgens (toenemende) korrelgrootte: klei->leem->zand->grint