Historische ecologie

Vorige pagina

Van natuurlijk bos naar oud bos:

Een van de interessantste vragen is die naar de exacte ouderdom van het bos. Die vraag zal helaas nooit worden beantwoord; er ontbreken historische archieven. Dat het een oud bos is, is evenwel via archiefmateriaal bewezen. De natuur zelf geeft ons ook krachtige aanduidingen.

Natuurhistorische bewijskracht van oud bos:

  • Het massaal voorkomen van soorten die “slechte kolonisatoren” zijn (wilde hyacint, bosanemoon). Dit zijn soorten die er heel lang over doen om er te komen en om uit te breiden.
  • Het voorkomen van boswallen (cf. de westelijke kant). Dit diende als veekering. De boseigenaars in de Middeleeuwen wilden verhinderen dat het vee het bos introk (het dwaalde vaak rond op zoek naar eten) en schade berokkende aan de jonge opslag. Ze lieten (lijfeigenen) grachten graven aan de bosrand. Met de aarde werd de wal erlangs gemaakt. Op het wallichaam werd een doornige haag geplant (sleedoorn, meidoorn) om het vee tegen te houden.
  • De hakhoutstoven aan de bosrand (fraxinus excelsior), waarvan de grootst opgemeten diameter 2,30 m bedraagt. Al naargelang van de gehanteerde wetenschappelijke methode kom je op 300, 400 tot zelfs 500 jaar ouderdom. Door de heel hoge leeftijd zijn deze stoven ook genetisch interessant. Zaailingen hiervan afkomstig kun je als standplaatseigen beschouwen.
  • Er zijn geen oude hakhoutstoven in het bos zelf. Het hakhoutbeheer was indertijd zo intensief dat stoven werden uitgegraven als ze niet meer rendeerden en plaats moesten maken voor nieuwe aanplant. De stoven aan de randen werden met rust gelaten omwille van de fixatie van de wallen, tegen het binnendringen (veekering, …), vandaar dat we hier de oudste stoven kunnen observeren.

Tekst: Erik cooman