beheer in bassegembos

Vorige pagina

De bosrandzone:

Het principe “nietsdoen” (uitzondering: indien verantwoord, kappen om de hinderlijke overgroeiende takken langs de perceelsgrenzen te verwijderen) betekent: niet ingrijpen in de ontwikkeling van de kruidlaag (inclusief bramen), struiklaag, hakhoutlaag en boomlaag (ook niet bij windval, tenzij hinderlijk of gevaarlijk voor aanpalenden). Alle houtnutriënten blijven in deze zone.

Doelstellingen:

Ongewenste betreding bemoeilijken via de braamstruwelen aan de bosranden en het dichte vlierstruikgewas in deze zone 1.

Maximale bescherming bieden aan zoogdieren, broedplaatsgelegenheid voor dag-en nachtroofvogels, grondbroeders, …

Het visueel-esthetische vrijwaren: de bosranden vormen aan alle kanten (vanuit Tiegem, Kaster, Anzegem-centrum, Gijzelbrechtegem) een homogeen en gesloten natuurscherm. De variatie is vrij groot (zomereik, es, esdoorn, tamme kastanje, hazelaar, olm, Canadapopulier, grauwe abeel, Spaanse aak, rode kornoelje, …) en biedt doorheen de seizoenen een wisselende aanblik van groei, bloei en bladverkleuring

Schermfunctie vervullen: het inwaaien en inspoelen van meststoffen minimaal proberen te houden.

Aan de zuidelijke en oostelijke bosrand kunnen, in aansluiting op te exploiteren hakhoutpercelen, echter bosrandcorridors worden gecreëerd om de lichtinval te vergroten en dus ook de kans op regeneratie van het hakhout. De bosranden vertonen hier overigens op diverse plaatsen een vrij goed ontwikkelde hakhoutlaag (vrij jong). Bovendien geeft kapping na verloop van tijd een veel dichtere rand.

De boskerngedeelten, afgezoomd door de vroegere bedrijfswegen:

Doelstellingen:

  • Herstellen van de omlooptijd van het hakhout (inclusief verjonging en noodzakelijke verdichting van deze laag).
  • Optimaliseren van de kruidlaag.
  • Optimale kansen bieden aan de natuurlijke verjonging (globaal genomen ontbreekt er minstens één generatie) van de boomlaag.
  • Bedwingen van dominerende soorten.

Actieplan:

Het heropnemen van de traditie van het hakhoutbeheer, vleksgewijze, waarbij de hakhoutcycli gerespecteerd worden.

Bedoeling is de kapping te doseren over 10 jaar (= aangenomen omlooptijd van de dominante soort tamme kastanje). Alle telgen van alle stoven in het jaarlijks af te bakenen perceel zullen worden gekapt. Eén à 2 jaar daarna zal in hetzelfde perceel een dunning uitgevoerd worden van de weer opschietende telgen.

In principe worden de niet meer productieve hakhoutstoven vervangen. Ook hier geldt verjonging. Eén van de criteria voor de keuze van de hakhoutpercelen zal dan ook de aanwezigheden van zaailingen zijn (al voorhanden verjonging).

Het kappen van de vlier, een dominerende factor in de struiklaag, die de rest (kiem-, kruid- én overige struiklaag zoals hazelaar) wegdrukt. Dit vergt een jaarlijks terugkerende hoofdbeheersactiviteit.

Het vrijhouden van de paden. Het voldoende breed houden van de dreven houdt bijkomende mogelijkheden tot biodiversiteit in zich (cf. het voorkomen van vogelmelk, waterpeper, etc.).

Het fijnhout, afkomstig van het hakhout, wordt in takkenhopen verzameld en blijft liggen (nestgelegenheid vogels, overwinteren kleine zoogdiertjes zoals egels, …).

Staande dode bomen worden niet geveld (spechten, mossen, paddestoelen). Het valt te verwachten dat de spechtenpopulatie en vogels als boomklever nog zullen uitbreiden met het ouder wordend zomereikenbestand.

Eventueel kan ook besloten worden bomen na windval niet op te ruimen, maar geheel of gedeeltelijk te laten wegrotten.

Overige krachtlijnen:

De nutriënten blijven in het bos (fijnhout, vruchten, boshumus). Het spreekt vanzelf dat de aanwezigheid en de vorming van boshumus van kapitaal belang is voor de vitaliteit van het bos. In het licht van de wetenschappelijke rapporten over verminderde bosvitaliteit en bossterfte is dit een belangrijk gegeven.

Tekst: Erik cooman